TaalActief Werkwoordpakket 11
Wat moet je doen:
Vul de goede werkwoordsvorm in, in de verleden tijd.
(kunnen)
Hij_____
(zijn)
Er______geen zitplaatsen meer
(hebben)
Els_______weinig geduld.
(zijn)
Ik_____
(moeten)
Wij______naar huis.
(zien)
Hij______
(slaan)
Je_______
(houden)
Jij______
(brengen)
Die________ons veilig thuis.
(zullen)
Het______
(moeten)
We________allemaal de bus uit.
(staan)
We_______
(slaan)
Plotseling_____de motor af.
(vriezen)
Het_______
(hebben)
Je______
(mogen)
Ik______
(weten)
Wij______
(staan)
We_______bij de bushalte
(zien)
De zon_______we hoog boven ons.
(kunnen)
Niemand______gaan zitten.
(komen)
Daar_______de bus aan.
(kopen)
Iedereen________een kaartje.
(gaan)
De chauffeur_____weer verder.
(gaan)
We______
(mogen)
We__________in een andere bus.